Terug naar het menu

De Schepping van de wereld en de mens

Terug naar het overzicht verzameld

Eens was er niets dan een grote leegte, doodstil en zwijgend, bewegingloos en duister. Er was geen licht, geen leven. Geen mensen, geen dieren, geen vissen, geen planten, en evenmin sterren of planeten. Wél was er de hemel en de zee, spiegelglad en roerloos.

Op een dag kwamen Tepué, de Schepper, en Gucumátz, de gevederde slang, met zijn staart van groene en blauwe quetzal-veren, samen en ze spraken lang met elkaar, in het duister, want het licht moest nog ontwaken. Ze voegden hun gedachten samen. En zo ontstond de wereld, enkel doordat hij bedacht was door Tepué en Gucumátz, de Heersers van de Hemel.

Het niets vulde zich en uit de zee kwam de aarde en uit de aarde groeiden bergen en er liepen rivieren tusendoor. In het water zwommen vissen en in de bossen woonden dieren. 'Niemand weet hoe geweldig onze schepping is,' zeiden Tepué en Gucumátz tot elkaar. 'De dieren kunnen niet praten, ze hebben geen taal, ze krassen en krijsen, maar onze naam kunnen ze niet eens uitspreken. Wat hebben we daaraan?

Zo werd bepaald dat dieren voorbestemd waren om opgegeten te worden, dat zou voortaan hun lot zijn. 'Laten we mensen maken die ons kunnen eren en aanbidden. Die ons gehoorzaam zullen zijn en dankbaar dat we hen hebben geschapen.' De lichamen van de eerste mensen waren van aarde, van rode lodo. Maar ze verkruimelden en vielen uit elkaar. De mensen van klei konden zich niet bewegen, laat staan woorden van verering en respect uitspreken. De tweede keer werden ze van hout gemaakt.

Het bleken echter marionetten te zijn, zonder hart en met een leeg brein. Ze hadden geen bloed, geen zweet en geen vet. Hun huid was droog en hun gezicht gebarsten, en omdat ze zich God, het hart van de hemel niet konden herinneren waren ze van geen nut. De meesten werden vernietigd en de rest trok de bossen in, waar ze als apen verder leefden.

Ten slotte deden de Scheppers een derde poging. Dit keer gebruikten ze maismeel en slangenbloed. De nieuwe mensen waren perfect, de goden gelijk. Hun lichaam was mooi en elegant, hun taal was prachtig en melodieus, en ze waren zeer begaafd en wijs. Ze wisten alles wat ze weten moesten, over het heden, het verleden en de toekomst. Ze konden heel ver zien, zelfs verder dan het hemelgewelf. Ze zagen wat ogenschijnlijk verborgen was. Ze wisten dat je dingen kunt creëren enkel door eraan te denken en het een naam te geven. Ze bezaten alle eigenschappen van hun Scheppers.

Maar ze vergaten te danken voor hun bestaan, en dat vertoornde zowel Tepué als Gucumátz, de Schepper zowel als de Vormer. 'Het is niet goed,'spraken Zij. 'Ze zijn volkomen gelijk aan Ons en dat is niet wat Wij wilden. Zij vergeten Ons te eren en aanbidden. Daarop ontwikkelden Zij een dikke mist om de mensen heen, zodat hun ogen besloegen en hun wereld zich verkleinde. Vanaf dat moment konden de mensen alleen nog zien wat dichtbij was. Ze wisten niet meer wat er ver weg gebeurde, ze konden zich niet meer moeiteloos verplaatsen. Van toen af zaten ze vast aan plaats en tijd.